Al het nieuws

‘Vijf dagen rouwverlof is natuurlijk helemaal niks’

Stephanie (37) moest na verlies man snel weer aan de slag

Stephanie van der Vooren is net een jaar getrouwd en moeder van twee kleine kinderen als haar man Maurits de diagnose uitgezaaide darmkanker krijgt. Als hij uiteindelijk overlijdt, heeft ze recht op vijf dagen rouwverlof. ‘Dat is natuurlijk helemaal niks. Er bestaat ouderschapsverlof, zwangerschapsverlof en nu zelfs vaderschapsverlof. Allemaal duren ze langer dan rouwverlof. Dat is toch bizar.’

‘Ik leerde Maurits eind 2003 kennen tijdens een vakantiereünie die werd gevierd in een Rotterdamse discotheek. Mijn beste vriendin en zijn beste vriend kenden elkaar van die reis en haalden herinneringen op. Maurits en ik stonden er een beetje naast. Ik ben toen met hem gaan praten. Daarna zijn we nog een paar keer uitgegaan en op een gegeven moment hadden we wat. Ik was 19 en hij 20. Eigenlijk een kalverliefde. Maar het is wel gebleven. In 2013 kregen we onze dochter en in 2016 onze zoon. In 2018 zijn we pas getrouwd.’
‘Maurits is in 2016 al eens naar het ziekenhuis geweest. Hij had klachten. En ook omdat zijn moeder en oma allebei darmkanker hadden gehad, leek ons een doktersbezoek verstandig. Maar de arts heeft hem weer naar huis gestuurd. Een onderzoek was niet nodig, darmkanker op die leeftijd was heel zeldzaam.’

Wereld stort in

‘Op een gegeven moment werd hij steeds vaker moe. Maar hij werkte ook keihard. Hij was net voor zichzelf begonnen als fooddesigner. Hij reisde de wereld over, werkte voor het Koninklijk Huis. De zaak liep als een trein. Hij werkte in die tijd ook voor een chocoladebedrijf in Heerhugowaard. Dan zette hij de auto langs de A4 bij een tankstation om even te kunnen slapen. Je denkt dat die vermoeidheid komt door het harde werken, maar voor een jonge vent is dat natuurlijk niet normaal. Weer naar de huisarts, weer doorverwezen. Nu kwam er wel een darmonderzoek. Ze zagen meteen dat het kanker was. Uit scans bleek dat het ook was uitgezaaid naar de lever en er zaten verdachte plekjes op de longen.’
‘Ik denk dat dat nog de ergste tijd was. Alles was natuurlijk verschrikkelijk. Maar die eerste weken waren hels. Die onzekerheid. Je weet niet wat je te wachten staat. Toen we te horen kregen dat het was uitgezaaid, zag ik m’n hele wereld instorten. Ik viel flauw tijdens dat gesprek. Maurits zei: “Oh, het zit in m’n lever. Dus daar word ik geen 80 mee?” “Nee”, zei de verpleegkundige, “2 tot 5 jaar heb je hier mee”. Nou, daar ging ik. Er moest iemand bij gehaald worden, en nog iemand. Want ik lag op apegapen. Je hebt een toekomstbeeld, en ineens zegt iemand “2 tot 5 jaar”.’

Werken zolang het kan

‘Er volgde een periode van intensieve behandelingen. Hij kreeg chemotherapie in Nederland. Later gingen we elke vier weken naar Frankfurt omdat daar met gerichte chemotherapie de lever kon worden behandeld.’
‘Toen de diagnose werd gesteld had ik net getekend voor een nieuwe baan als recruiter bij een kinderopvangorganisatie. In het begin stond m’n hoofd daar natuurlijk helemaal niet naar. Maar later was het ook wel fijn dat ik gewoon aan het werk was. Maurits deed dat ook zolang het kon. Ik heb al die tijd gewerkt, ik ben geen dag thuis geweest vanwege Maurits. Als we naar Frankfurt moesten voor zijn behandelingen, ruilde ik m’n dagen.’
‘De behandelingen hadden weinig succes. Maurits had de meest agressieve vorm van darmkanker. De tumoren in de longen en lever groeiden. Hij kon nog meedoen aan een experimentele behandeling in Utrecht. Maar op dat moment kon hij al bijna niet meer lopen, hij zou blind kunnen worden en dan nog was het de vraag of het iets zou doen. Het was geen leven meer voor hem. Toen heeft hij gezegd: “Ik stop ermee”.’

Terugkeren naar werk zag ik nog helemaal niet zitten. Ik voelde me alleen maar ellendiger. Ik had in een soort overlevingsstand gezeten. Nu kwam de klap pas.

Stephanie van der Vooren - recruiter bij een kinderopvangorganisatie

“Je klinkt wel goed”

‘Afgelopen februari, toen we wisten dat het niet lang meer zou duren, zat ik thuis online sollicitatiegesprekken te voeren met kandidaten, terwijl m’n man doodziek op de bank lag. Dat ging gewoon niet meer. Ik heb de invalmanager gebeld en gezegd: “Ik kan dit niet meer combineren.”
“Wanneer denk je dat je er weer bent?”, vroeg ze. Ja, dacht ik, snap je nou zelf niet hoe het zit? Ik heb het er maar op gehouden dat het nu niet ging en ik ook niet wist hoe lang het zou duren. Met Maurits ging het snel slechter. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en tien dagen later overleed hij.’
‘Nadat Maurits was overleden, belde ze weer: “Zou je niet naar kantoor komen om wat mails te doen, dan kun je je gedachten wat verzetten”. Als ik één ding niet wilde doen, was het mails afhandelen op een leeg kantoor, want vanwege corona was daar niemand. Kort daarna ging zij weg en kwam er een ander.’
‘Op een gegeven moment belde de arbeidsdeskundige. “Je klinkt wel goed”, zei hij. Ja, ik kan het wel goed vertellen, maar dat wil niet zeggen dat het altijd goed gaat. Eigenlijk moet je dus in huilen uitbarsten om serieus genomen te worden.’

De klap

‘Er kwam een rapport dat ik weer zou gaan opbouwen. Na korte tijd zou ik dan weer helemaal terug zijn. Ik zag dat nog helemaal niet zitten. Ik voelde me alleen maar ellendiger. Ik had in een soort overlevingsstand gezeten. Nu kwam de klap pas. Ik wilde graag zelf de bedrijfsarts spreken. Toen dat gebeurde kwam eindelijk de menselijke kant een beetje naar boven. Via het werk kon ik bij een psycholoog terecht. Ook kwam er een nieuwe manager die de situatie wèl begreep. Langzaam begon ik weer op te bouwen. Ik ging nog niet terug naar het recruitmentwerk, dat was me nog te veel. Dus ging ik op kantoor archiveren, personeelsdossiers op orde brengen, dat soort klussen. Het was zoeken naar werk. Soms zat ik de hele ochtend te googelen omdat er niets te doen was. Daar knapte ik niet van op. Ook speelde mee dat de twee collega’s met wie ik het goed kon vinden, waren vertrokken. Zij hadden het ziekteproces van Maurits helemaal meegemaakt. Nu zaten er nieuwe mensen die ik het verhaal weer helemaal opnieuw moest vertellen. Ik wilde dat niet. Ik kon niet mezelf zijn.’

Maatwerk

‘De manager kwam met twee opties. De eerste was om toch weer mijn oude werk te gaan doen. Rustig opbouwen en dan in december kijken of het contract kon worden omgezet naar onbepaalde tijd. De tweede optie was me beter melden, mij vervolgens vrij te stellen van werk, en uit dienst gaan per 1 januari. Voor mij was de keus snel gemaakt. Ik zou de rust krijgen om met m’n gezin alles weer op poten te zetten en in januari weer verder te kijken. In ieder geval niet meer de druk hebben om te moeten komen en uren op te bouwen.’
‘Uiteindelijk is de manier waarop de nieuwe manager hiermee om is gegaan heel goed. Ze had ook voet bij stuk kunnen houden en zeggen: “Je komt gewoon re-integreren en je zit de tijd van je contract maar uit”.
Vijf dagen rouwverlof is natuurlijk helemaal niks. Daarna ben je ook nog wel een tijdje bezig met rouwen. Er bestaat ouderschapsverlof, zwangerschapsverlof en nu zelfs vaderschapsverlof. Allemaal duren ze langer dan rouwverlof. Dat is toch bizar!’
‘Wat is wel genoeg? Er is nu een petitie overhandigd aan een Tweede Kamercommissie om rouwverlof gelijk te trekken met bijvoorbeeld zwangerschapsverlof. Maar veel mensen hebben meer nodig dan tien weken. Rouwverlof moet eigenlijk een soort maatwerk worden, vind ik. De behoefte verschilt per persoon. De een wil misschien wel weer na twee weken op het werk zitten. Voor mij geldt dat niet. Emotioneel is het pittig. Ik kan het er in mijn hoofd nog niet bij hebben.’