Al het nieuws

Fotomuseum Rotterdam droomt van digitaal depot

‘Eerst haalden we elke foto door de scanner’

De digitalisering en het gebruik van algoritmen biedt steeds meer mogelijkheden voor collecties van musea. Hoe gaan het Nederlands Fotomuseum en Herinneringscentrum Kamp Westerbork - beide schatbewaarder van belangrijk cultureel erfgoed - hiermee om? ‘Als we straks databases grootschalig met elkaar kunnen verbinden, wordt het pas echt interessant.'

In 2007, op een doodnormale dag, staat de tijd even stil in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. Een medewerker heeft zojuist een van de grootste schatten van het museum uit de koude kluis gehaald, namelijk de diacollectie van de wereldberoemde Amsterdamse straatfotograaf Ed van der Elsken. ‘We zouden een start maken met het digitaliseren van zijn kleurendia’s’, verhaalt conservator Loes van Harrevelt. Maar meteen bij de eerste dia’s was al duidelijk dat het mis was. ‘Er waren allemaal draden zichtbaar.’ Schimmeldraden, wel te verstaan. ‘Zijn collectie bleek aangetast, afschuwelijk!’

Schimmel

Het werk van Van der Elsken, zo’n 45.000 dia’s, is sinds 1990, na zijn dood, ondergebracht bij het museum. Dat zijn nalatenschap niet in heel goede staat verkeerde, was van meet af aan bekend. De legendarische fotograaf had het werk zelf lange tijd bewaard in zijn dijkwoning in Edam. Van Harrevelt: ‘Die omgeving, vochtig en relatief warm, is funest voor het bewaren van dia’s. Waarschijnlijk zat de schimmel er dan ook al in toen wij het materiaal kregen.’ Zeventig procent van het werk bleek uiteindelijk geïnfecteerd. Dankzij de inspanning van een groep van slimme ‘uitvinders’ is zijn oeuvre vrijwel helemaal gered. ‘Zij hebben een speciale techniek ontwikkeld die goed bleek te werken. Vervolgens hebben we al zijn werk gedigitaliseerd.’

Scanner

De waarde van digitalisering voor het behoud en borgen van cultureel erfgoed als van Van der Elsken behoeft geen uitleg. ‘Die is ongekend,’ zegt Van Harrevelt. ‘We kunnen materiaal daardoor voor de eeuwigheid bewaren.’ Inclusief het werk van de eigenzinnige Amsterdammer is het fotomuseum schatbewaarder van maar liefst 5,6 miljoen negatieven en dia’s, waaronder de archieven van Paul Citroen, Cas Oorthuys en van nog 173 andere fotografen. Van Harrevelt: ‘We zijn sinds 2003 bezig met het digitaliseren van onze collectie. Als erfgoedinstelling krijgen we onder meer subsidie van de overheid om het beeldmateriaal te bewaren. Daarvan hebben we twee extra digitaliseringsmedewerkers kunnen aanstellen. We zijn destijds begonnen met de thema’s die grote cultuurhistorische waarde hebben, zoals de Tweede Wereldoorlog en de watersnoodramp. Eerst haalden we alles door de scanner, ook de mislukte en minder mooie beelden. Maar omdat het zo’n monnikenwerk is, zijn we steeds selectiever geworden.’

Kees Molkenboer - Jongen eet van voedselpakket, Rotterdam, 1945

Depots

Inmiddels is zo’n negen procent van de collectie gedigitaliseerd. ‘Om er meer schot in te krijgen, is een team van acht nieuwe medewerkers gestart. Daardoor verwachten we flink te kunnen versnellen.’ Al blijft het ‘bizar veel werk,’ weet ze. ‘Elk dia moet ook beschreven worden en steeds apart verpakt, terwijl de collectie ondertussen alleen maar groeit.’ Het digitale archief in aanleg is overigens vrij toegankelijk voor iedereen op de website van het Fotomuseum. ‘Veel mensen weten dat niet, maar hoe mooi is het om op deze manier te kunnen ontsluiten wat eerst verstopt lag in onze depots? In het museum zelf kunnen we immers slechts flinters van de collectie laten zien.’

Westerbork

Een ander museum dat ook zo’n twintig jaar geleden begon met de aanleg van een database is Herinneringscentrum Westerbork. ‘We bestaan sinds 1983. Vanaf dat moment zijn we begonnen met de opbouw van onze collectie,’ vertelt collectiemedewerker José Martin. ‘Tachtig procent van ons archief is inmiddels gedigitaliseerd. Zo’n 60.000 foto’s en documenten. De personendatabase bevat bijna 800.000 scans.’
Sinds de beginjaren van het museum is er veel veranderd, zegt ze. ‘Eerst kwamen bezoekers bij ons met vrijwel altijd dezelfde twee vragen: wanneer was mijn opa in het kamp en wanneer is hij gedeporteerd? Tegenwoordig gaat het veel verder. Mensen willen nu een zo compleet mogelijk verhaal: welk werk deed mijn opa in het kamp? In welke barak zat hij? Op welk adres woonde hij voordat hij naar het kamp kwam? Was de rest van de familie er ook? Is er correspondentie van hem? Al dat soort informatie kunnen wij inmiddels ontsluiten omdat we toegang hebben tot vele digitale gegevens.’

‘In het museum zelf kunnen we slechts flinters van de collectie laten zien’

Conservator Loes van Harrevelt

Ethische dilemma’s

Het beschikbaar stellen van digitale archieven aan een massamedium brengt wel ethische dilemma’s met zich mee, legt Van Harrevelt uit: ‘Neem beelden van de hongerwinter, die zijn soms heel indringend. Laat je ze allemaal zien?’ Martin: Wij hebben veel foto’s waarvan niet bekend is wie er opstaan. Kun je dat soort foto’s, hoewel van cultuurhistorische waarde, vrij toegankelijk maken op het internet? Of weegt de wet op de privacy zwaarder? Dat zijn best lastige beslissingen.’
Ook over het gebruik van algoritmen die bijvoorbeeld kunnen helpen bij het beschrijven van beelden bestaat huivering. Van Harrevelt: ‘Door de manier waarop ze werken, sluipen er al snel stereotypen in. Daarom doen wij nu, hoe bewerkelijk ook, nog alles handmatig. We willen zo neutraal mogelijk benaderen, gericht op inclusiviteit en meerstemmigheid. Dat zien we als onze maatschappelijke taak. Een term als ‘multiculturele’ jongeren of ‘achterbuurt’ gebruiken we niet. In plaats daarvan zetten we ‘jongeren’ en ‘op straat’ bij een foto.’

Kinderschoenen

De digitalisering van databases van musea en archieven staat eigenlijk pas in de kinderschoenen, menen Martin en Van Harrevelt. Die laatste: ‘Het is een droom om ons archief helemaal, of in elk geval voor een kwart, in een database te hebben zitten. Maar ook daarna is er nog een wereld te winnen. Pas als we op grootschalig niveau de koppeling met andere archieven kunnen maken, wordt het echt interessant. Waarom? Stel: wij hebben een foto van Paul Citroen in onze collectie, Museum Boijmans van Beuningen heeft een schilderij van hem, in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ligt een boek met een foto van het schilderij, en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD) heeft een krantenknipsel waarin over de foto wordt geschreven. Hoe prachtig zou het zijn als je met slechts een druk op de knop al die informatie aan elkaar kunt knopen? Dat zal veel interessante inzichten opleveren.’
Ook Martin verheugt zich daarop. ‘Er zijn al algoritmen die handschriften kunnen lezen. Dat maakt het op termijn mogelijk om bijvoorbeeld informatie uit de brieven in onze collectie te koppelen aan namen en andere gegevens in onze en externe databases. Daar komen ongetwijfeld veel nieuwe aanknopingspunten van cultuurhistorische waarde uit voort.’

Paul Citroen

Om dat te bereiken, moet er nog wel veel gebeuren, zegt van Harrevelt. ‘Het is bijvoorbeeld belangrijk dat er landelijke, maar ook internationale afspraken komen over het opslaan van gegevens. Als wij werk opslaan onder Paul Citroen, en ergens anders doen ze het als Citroen, P. of P. Citroen, dan gaat dat ten koste van de vindbaarheid.’ Martin: ‘Ondanks de ongekende potentie blijft digitalisering uiteindelijk mensenwerk, er zullen dan ook altijd onzuiverheden in de data blijven sluipen.’

Wat vind jij; goede ontwikkeling dat alles online beschikbaar wordt gemaakt of niet?

Er zijn nog geen reacties, wees de eerste!

U
Error