Omgaan met psychische druk in zorg aan coronapatiënten

[caption id="attachment_16404" align="alignleft" width="300"] Rotterdam Maasstadziekenhuis.
foto: Arie Kievit[/caption]

Zorgprofessionals werken uit man en macht op de IC’s en op verpleegafdelingen om Covid-19-patiënten te ondersteunen. De psychische druk is hierbij immens: ‘Het is heel eng', zegt verzorgende Julian in het aprilnummer van MijnVakbond.
 Na zijn eerste diensten op een corona-verpleegafdeling, bleef verzorgende Julian (21) eerst tien minuten in zijn auto zitten, voordat hij kon egrijden. ‘Anders maakte ik ongelukken, ik moest er echt even van bijkomen’, vertelt hij hierover. Toch bedacht hij zich geen moment toen hij de oproep zag voor zorgmedewerkers om zich te melden om coronapatiënten te ondersteunen. Als zzp’er was hij in de palliatieve zorg gewend om voor mensen te zorgen die zouden sterven, hij kon wel tegen een stootje. ‘Toch was dit werk anders dan ik dacht’, kijkt hij terug op zijn eerste werkweek op een Brabantse verpleegafdeling met Covid-19-patiënten, ‘Ik dacht dat dit virus alleen ouderen trof. Maar ook jonge mensen liggen op zo’n afdeling. De meesten zijn 50-plus, maar er liggen ook een paar dertigers.’ Wat de meeste indruk maakt? ‘De angst van de patiënten. In de palliatieve zorg weten mensen dat ze doodgaan en hebben ze daar vaak ook vrede mee. Dit is anders: deze patiënten zijn verrast door het virus en heel bang om te sterven. “Het is heel eng”, zeggen al mijn collega’s. En dat vind ik ook, omdat het ziekteverloop ontzettend grillig is. Het ene moment zijn patiënten redelijk okay, het andere moment zijn ze weg. Je hebt er totaal geen invloed op en dat geeft een machteloos gevoel.’

Schok


Verpleegkundige David Klein (41), momenteel werkzaam op een corona-afdeling in het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem, is ook wel wat gewend van zijn werk op de afdeling acute opnamen. ‘Sommige patiënten sterven, dat gebeurt. Maar nu gebeurt dat vaker én vaak ook onverwachts.’ Zoals een dame van tachtig jaar, die hij ’s avonds verpleegt en waar hij een praatje mee maakt en helpt met het eten. Als hij zijn dienst afsluit, treft hij haar overleden aan in bed. ‘Ik wist dat het eraan zat te komen, maar dat het zó snel zou gaan, was toch even een schok.’ Wat het werk ook anders maakt: de beschermende kleding. Klein: ‘Ik zie er hetzelfde uit als mijn collega’s en dat kan verwarrend zijn.

 

Ja, ik moet wel eens huilen, dat doen wij bijna allemaal. En ik heb ook wel vloekend in mijn auto gezeten. Maar als ik een lange strandwandeling in Scheveningen maak, dan glijdt het weer van me af’


 

Na zijn eerste diensten op een corona-verpleegafdeling, bleef verzorgende Julian (21) eerst tien minuten in zijn auto zitten, voordat hij kon wegrijden. ‘Anders maakte ik ongelukken, ik moest er echt even van bijkomen’, vertelt hij hierover. Toch bedacht hij zich geen moment toen hij de oproep zag voor zorgmedewerkers om zich te melden om coronapatiënten te ondersteunen. Als zzp’er was hij in de palliatieve zorg gewend om voor mensen te zorgen die zouden sterven, hij kon wel tegen een stootje. ‘Toch was dit werk anders dan ik dacht’, kijkt hij terug op zijn eerste werkweek op een Brabantse verpleegafdeling met Covid-19-patiënten, ‘Ik dacht dat dit virus alleen ouderen trof. Maar ook jonge mensen liggen op zo’n afdeling. De meesten zijn 50-plus, maar er liggen ook een paar dertigers.’

Fysiek zwaarder


Wat de meeste indruk maakt? Julian: ‘De angst van de patiënten. In de palliatieve zorg weten mensen dat ze doodgaan. Het is lastiger om met mijn patiënten te communiceren. Zien ze mijn gezichtsexpressie? Begrijpen ze wat ik bedoel? Het is fysiek ook zwaarder: het ademt lastiger door zo’n mondmasker en het is warm. Als ik meerdere uren in zo’n pak heb gewerkt, ben ik er echt klaar mee.’

[caption id="attachment_16403" align="alignleft" width="300"] Rotterdam Maasstadziekenhuis.
foto: Arie Kievit[/caption]

Bang om zelf besmet te worden met het virus zijn David Klein en Julian niet. ‘Maar sommige collega’s hebben onbeschermd coronapatiënten verpleegd vóórdat bekend was dat ze toch besmet waren’, vertelt Klein. ‘Dat zorgt wel voor extra psychische last bij hen: zijn ze misschien toch besmet? Al met al is het een opstapeling van omstandigheden, waardoor dit werk nu zwaarder is dan normaal.’

Psychische ondersteuning


Dat beaamt Grietje de Roos, die als bedrijfsmaatschappelijk werker bij ziekenhuis Isala in Zwolle werkt in een psychosociaal ondersteuningsteam. Dit team werd in het leven geroepen om zorgmedewerkers met Covid-19-patiënten extra psychische ondersteuning te geven. Door aanspreekpunt te zijn, maar ook door zelf actief te checken hoe zorgverleners zich voelen na een dienst. Extra psychische ondersteuning is hard nodig, stelt De Roos. ‘Het grillige verloop van de ziekte, het vervreemdende effect van het beschermingsmateriaal dat je draagt, het schuldgevoel dat je patiënten niet kunt troosten en met ze kunt communiceren zoals je zou willen, het op afstand houden van familieleden vanwege besmettingsgevaar, patiënten die in eenzaamheid sterven: het is gewoon ontzettend veel. Tel daarbij op dat de zorgprofessional ook in de thuissituatie druk ervaart: het kind dat hulp nodig heeft bij huiswerk, de partner die worstelt met thuiswerken, mantelzorgen voor ouders… In het nieuws gaat het alleen maar over corona, en als je iemand spreekt is die vaak benieuwd naar hoe het is om op een corona-afdeling te werken. Het is moeilijk om zo echt van je werk los te komen en een pauzemoment in te lassen waarin je kunt opladen.’

Posttraumatische stressstoornis


In de Volkskrant waarschuwen psychologen voor de traumatische impact van het coronavirus op zorgpersoneel. Het zware werk kan leiden tot emotionele overbelasting en klachten die duiden op posttraumatische stressstoornis (PTSS). Iets wat verzorgende Julian zich goed kan voorstellen. Het zal me niks verbazen als er straks een enorm beroep op de GGZ gedaan wordt.’ Om zichzelf maakt hij zich niet al te veel zorgen: ‘Als ik het niet trek, dan stop ik meteen. Maar nu gaat het wel. Ja, ik moet wel eens huilen, dat doen wij bijna allemaal. En ik heb ook wel vloekend in mijn auto gezeten. Maar als ik een lange strandwandeling in Scheveningen maak, dan glijdt het weer van me af.’ Ook verpleegkundige Klein heeft zijn tactieken om de coronastress te weren. Hij trainde voor de marathon, die niet meer doorgaat. Maar hij zet zijn trainingen gewoon voort. ‘Ik ren zo’n tachtig à honderd kilometer per week’, vertelt hij. ‘Tijdens het lopen laat ik al mijn gedachten en belevenissen even passeren en aan het eind van mijn rondje is het klaar. Ik praat thuis zo min mogelijk over mijn werk, want ik ben een beetje coronamoe. Ook ga ik regelmatig samen kleuren met mijn vrouw en kinderen, van die mandala’s. Of we doen aan yoga.’

[caption id="attachment_16405" align="alignleft" width="300"] Sporthal De Beuk in Purmerend als tijdelijke huisartsenpraktijk.
foto: Arie Kievit[/caption]

Erover praten helpt


Dat afstand nemen van je werk is ook een advies dat bedrijfsmaatschappelijk werker De Roos geeft. ‘Dus als mensen nieuwsgierig naar je werk zijn, durf dan je grens aan te geven en zeg dat je het er nu liever niet over hebt. Doe dingen waardoor je uit de ‘coronasfeer’ komt, zoals werken in de tuin, wandelen, puzzelen en mindfulnessoefeningen doen. En zet je social media even uit.’ Het andere belangrijke advies dat ze geeft: praat wel over wat je meemaakt, bijvoorbeeld met je collega’s, je partner, goeie vriend, of praat met een psychosociale hulpverlener of geestelijk verzorger op je werk. ‘Bij de overdracht in Isala is bijna altijd iemand van ons team, zodat we kunnen vragen naar hoe de zorgmedewerker zich voelt na een dienst. Daar hebben zorgverleners niet altijd zin in, vaak willen ze meteen de knop omdraaien. Maar als ze er eenmaal over vertellen, zie je toch dat het oplucht. En dat ontluchten is nodig, om weer opgeladen te zijn voor een nieuwe dienst.’ Wel kijkt De Roos met zorg naar zorgmedewerkers met de instelling ‘Even de schouders eronder zetten!’ en ‘Samen gaan we het flikken!’. ‘Deze coronacrisis gaat nog wel even duren’, zegt ze. ‘Het is een slijtageslag, dus moet je oppassen dat je niet meteen vol gas gaat. Dus durf ook “nee” te zeggen tegen extra diensten, zodat je voldoende tijd hebt om op te laden en dingen te verwerken.’ Ze adviseert zorgverleners bij de leidinggevende aan de bel te trekken als ze geen afstand meer kunnen nemen van hun werk. ‘Dus als je last van herbelevingen hebt, slecht slaapt, je niet meer kunt ontspannen of focussen en steeds in de alerte stand staat. Dat zijn alarmerende signalen.’

Lachen moet


Een andere manier van ‘ontluchten’ die Julian en David Klein noemen? Humor. ‘Er worden soms keiharde grappen gemaakt, die ik hier niet kan herhalen’, vertelt Julian, ‘dat móet soms echt even, anders word je gek.’ Klein herinnert zich een geintje dat hij maakte met de babyfoons, waarmee de verpleegkundige in de isolatie communiceert met de verpleegkundige buiten de isolatiekamer. ‘Sommige collega’s vergeten de knop in te drukken als ze beginnen met praten’, vertelt hij, ‘dus dan krijg je van die halve zinnen te horen. Ik kreeg meteen flashbacks naar het tv-programma Wie is de Mol, waarin er ook altijd mensen klieren met de walkietalkies. Dus dan zei ik net zoals Ellie Lust: “Kom op, goed die knop indrukken. Etherdiscipline!” Want mijn motto is, ook in het contact met patiënten: we moeten wel blijven lachen, want huilen kan altijd nog.’

tekst: Rhijja Jansen