Al het nieuws

Mensenwerk: brandweerman Jelle Peeringa over de passie voor zijn beroep

‘Het brandweerwerk heeft iets mystieks en spannends’

‘Ik wil brandweerman worden’. Jelle Peeringa (34) was zes, toen hij deze regels in zijn schoolschrift schreef. Een ingeving die hij heeft gevolgd. Alweer zestien jaar zet hij zich in voor de brandweer. Beroepsmatig én vrijwillig. ‘Ik help graag waar anderen wegrennen.’

Avontuurlijk was hij altijd al. Hij bedwingt bergen en genoot als kind bij de scoutinggroep van avonturen in de bossen. Hij omschrijft zichzelf als sociaal persoon: ‘Ik heb hart voor mensen. In teamverband iets kunnen betekenen voor de maatschappij heeft mij altijd aangesproken. Mensen helpen waar je kunt is een resultaat van mijn christelijke opvoeding.’

Toen hij achttien was, nam zijn vriend hem mee naar de vrijwillige brandweer. Hij meldde zich meteen aan: ‘Terwijl leeftijdgenoten in de kroeg zaten, hielp ik in levensbedreigende situaties . Heel jong leerde ik de betrekkelijkheid van het leven en werd ik risicobewust.’

Niet altijd stoer

Peeringa werkte als elektricien bij de Rijksuniversiteit Groningen, maar het brandweerwerk bleek zijn roeping. In 2009 maakte hij van zijn hobby zijn beroep: ‘Ik houd ervan gevaar te bedwingen, help graag waar anderen wegrennen. Door de dunne grens waarop je moet balanceren, heeft brandweerwerk iets mystieks en spannends. Wanneer ga je het gevaar aan, wanneer wordt ingrijpen zinloos, wanneer loop je als team tegen te grote risico’s aan? Je moet heel snel schakelen om keuzes te maken wat wel of niet kan. Elke situatie is anders, met altijd het spanningsveld van wat technisch, tactisch of emotioneel wel of niet kan, op basis van informatie die steeds verschilt.

De brand bepaalt wat je doet. Zijn er nog levenden in de woning? Om welk type brand gaat het? Is het in een complex oud gebouw in de binnenstad, of betonnen twee-onder-één-kap-nieuwbouw? Het eikenhouten meubilair van opa en oma is minder brandbaar dan tegenwoordige meubels. Wanneer moet je ervanuit gaan dat er geen overlevenden meer zijn, en dat het geen zin meer heeft om naar binnen te gaan?

Je staat onder gigantische tijdsdruk om hierover te beslissen. Voor de buitenwereld lijkt brandweerman een stoer beroep. Mensen zien ons als moedige helden, die het gevaar tegemoet vliegen.

Maar wij maken per situatie afwegingen, zijn geschoold in risico’s inschatten en ernaar te handelen.

We hebben geleerd van onze ervaringen met slachtoffers onder eigen personeel. Daardoor kijken we altijd of we goed hebben gehandeld en waar het beter kan. Je moet openstaan voor feedback over je handelen en je gedrag, om risico voor je eigen personeel uit te sluiten. Daartegenover staat de drang om te redden.’

Teamplayer

Het vak van brandweerman moet in je zitten, benadrukt Peeringa: ‘Het komt je niet aanwaaien. Je bent een teamplayer met een groot hart. Jezelf wegcijferen is je grootste kracht. Redding is het product van een heel team, dat moet je jezelf steeds voorhouden. Niet alleen van degene die met een kind onder de arm een brandend huis uit loopt. Iedereen binnen het team vormt een schakel: degenen die blussen, kantoorwerk doen, wagens onderhouden, de garagevloer schoonmaken. Als er iets misgaat, heeft het hele team het niet goed gedaan.

Je moet opgewassen zijn tegen menselijk leed, kunnen aanpakken en doorzetten. Het is fysiek zwaar werk, dus moet je sportief zijn, en in goede conditie.’

Onderling vertrouwen

Zijn passie voor het brandweerwerk zit zo diep, dat Peeringa zich nog steeds maandelijks een aantal uren inzet als vrijwilliger voor zijn korps. Als ploegleider begeleidt hij nieuwkomers, geeft ieder een eigen verantwoordelijkheid en biedt een luisterend oor aan mensen met schokkende ervaringen. ‘Sommigen verklaren mij voor gek dat ik achtenveertig uur inzetbaar ben, maar ik kan het niet loslaten. Thuis balen ze weleens als ik weer weekenddienst heb. Maar door de week fiets ik met mijn zoons van drie en zes. Ik haal de oudste van school, als een van de weinige vaders die dit kunnen doen. Het is gewoon een heel mooi beroep, zo anders dan andere beroepen. Dat zag ik in mijn vroegere baan en ik hoor het van vrijwilligers met banen. Wat we als collega’s samen meemaken, maakt de band hechter. Schouder aan schouder janken met de hele ploeg bij heftige gebeurtenissen, of mooie successen vieren. Om met je team een klus te klaren, moet het onderlinge vertrouwen groot zijn. Dat is anders dan een praatje bij de koffieautomaat op kantoor. De dynamiek verschilt. Met mijn collega’s beleef ik dingen die ik met mijn vrouw nooit zal beleven. Hoeft ook niet, maar maakt het wel anders.’